Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
träumen
01
dromen, fantaseren
Im Schlaf Bilder oder Ereignisse erleben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
träume
3e persoon enkelvoud
träumt
onvoltooid deelwoord
träumend
onvoltooid verleden tijd
träumte
voltooid deelwoord
geträumt
Voorbeelden
Träumst du oft?
Droom je vaak?
02
dromen van, sterk verlangen naar
Sich etwas sehr wünschen oder vorstellen
Voorbeelden
Sie träumt von einem besseren Leben.
Ze droomt van een beter leven.



























