Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
trainieren
01
trainen, sporten
Regelmäßig üben oder Sport machen, um Fähigkeiten zu verbessern oder fit zu bleiben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
trainiere
3e persoon enkelvoud
trainiert
onvoltooid deelwoord
trainierend
onvoltooid verleden tijd
trainierte
voltooid deelwoord
trainiert
Voorbeelden
Wir trainieren Fußball zweimal pro Woche.
We trainen twee keer per week voetbal.



























