Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
springen
01
springen
Sich schnell mit den Beinen vom Boden abstoßen und in die Luft bewegen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
springe
3e persoon enkelvoud
springt
onvoltooid deelwoord
springend
onvoltooid verleden tijd
sprang
voltooid deelwoord
gesprungen
Voorbeelden
Das Kind springt auf dem Trampolin.
Het kind springt op de trampoline.



























