Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
sparen
01
sparen, besparen
Geld zur Seite legen, um es später zu verwenden
Voorbeelden
Ich spare für ein neues Handy.
Ik spaar voor een nieuwe telefoon.
02
besparen, sparen
Weniger verbrauchen, um etwas zu behalten
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
spare
3e persoon enkelvoud
spart
onvoltooid deelwoord
sparend
onvoltooid verleden tijd
sparte
voltooid deelwoord
gespart
Voorbeelden
Wir müssen Strom sparen.
We moeten elektriciteit besparen.



























