Zoeken
rufen
[past form: rief]
01
roepen, schreeuwen
Laut sprechen, um jemandes Aufmerksamkeit zu bekommen
Voorbeelden
Der Lehrer ruft die Namen der Schüler.
De leraar roept de namen van de leerlingen.
02
bellen
Jemanden per Telefon oder anderer Kommunikationsmethode kontaktieren
Voorbeelden
Mein Chef ruft mich oft am Wochenende an.
Mijn baas belt me vaak in het weekend.


























