Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
reisen
01
reizen, zich verplaatsen
Von einem Ort zum anderen fahren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
reise
3e persoon enkelvoud
reist
onvoltooid deelwoord
reisend
onvoltooid verleden tijd
reiste
voltooid deelwoord
gereist
Voorbeelden
Er reist oft mit dem Zug.
Hij reist vaak met de trein.



























