Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
rausgehen
01
nach draußen oder aus einem Raum hinausgehen, -
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
onregelmatig
scheidbaar
hulpwerkwoord
sein
onvoltooid verleden tijd
ging raus
voltooid deelwoord
rausgegangen
Voorbeelden
Sie ging kurz raus, um frische Luft zu holen.



























