Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Das Paar
[gender: neuter]
01
koppel, paar
Zwei zusammengehörende Personen oder Dinge
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
onzijdig
genitiefvorm
Paar(e)s
meervoudsvorm
Paare
Voorbeelden
Gestern habe ich mir ein Paar neue Schuhe gekauft.
Gisteren heb ik voor mezelf een paar nieuwe schoenen gekocht.
paar
01
Eine unbestimmte kleine Anzahl von Personen oder Dinge
Voorbeelden
Kannst du mir ein paar Euro leihen?



























