Zoeken
können
01
kunnen, in staat zijn
Fähigkeit besitzen, etwas zu tun
Voorbeelden
Kannst du kochen?
Kun je koken?
02
kunnen, in staat zijn
Die Möglichkeit oder Fähigkeit haben
Voorbeelden
Können Sie mir helfen?
Kunt u mij helpen?
03
kunnen, toestemming hebben
Erlaubnis haben
Voorbeelden
Du kannst jetzt gehen.
Je mag nu gaan.


























