Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
können
01
kunnen, in staat zijn
Fähigkeit besitzen, etwas zu tun
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
onregelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
kann
3e persoon enkelvoud
kann
onvoltooid deelwoord
könnend
onvoltooid verleden tijd
konnte
voltooid deelwoord
gekonnt
Voorbeelden
Kannst du kochen?
Kun je koken?
02
kunnen, in staat zijn
Die Möglichkeit oder Fähigkeit haben
Voorbeelden
Können Sie mir helfen?
Kunt u mij helpen?
03
kunnen, toestemming hebben
Erlaubnis haben
Voorbeelden
Du kannst jetzt gehen.
Je mag nu gaan.



























