Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
krähen
[past form: krähte]
01
kraaien, schreeuwen
Ein lauter Ruf, den Hähne machen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
krähe
3e persoon enkelvoud
kräht
onvoltooid deelwoord
krähend
onvoltooid verleden tijd
krähte
voltooid deelwoord
gekräht
Voorbeelden
Auf dem Bauernhof krähen viele Hähne.
Op de boerderij kraaien veel hanen.



























