Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
kreisen
01
cirkelen, ronddraaien
Sich wiederholt im Kreis bewegen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
kreise
3e persoon enkelvoud
kreist
onvoltooid deelwoord
kreisend
onvoltooid verleden tijd
kreiste
voltooid deelwoord
gekreist
Voorbeelden
Der Vogel kreist über dem See.
De vogel cirkelt boven het meer.
02
sich in kreisförmiger Bewegung irgendwohin bewegen
Voorbeelden
Die Schneeflocken kreisten langsam zu Boden.
03
(Turnen) mit geschlossenen und gestreckten Beinen kreisförmige Schwünge ausführen
Voorbeelden
Der Turner kreist mit geschlossenen und gestreckten Beinen auf dem Boden.
04
mit einem Körperteil kreisförmige Bewegungen machen
Voorbeelden
Kreise langsam mit den Armen nach hinten.
05
(Gymnastik) einen Körperteil kreisförmig bewegen
Voorbeelden
Kreise die Arme langsam nach vorn.
LanGeek



























