Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
herrschen
[past form: herrschte]
01
heersen, regeren
Macht oder Kontrolle über ein Land oder Gebiet haben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
herrsche
3e persoon enkelvoud
herrscht
onvoltooid deelwoord
herrschend
onvoltooid verleden tijd
herrschte
voltooid deelwoord
geherrscht
Voorbeelden
Während der Diktatur herrschte Angst.
Tijdens de dictatuur heerste angst.



























