Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
heißen
[past form: hieß]
01
heten, zich noemen
Einen Namen tragen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
heiße
3e persoon enkelvoud
heißt
onvoltooid deelwoord
heißend
onvoltooid verleden tijd
hieß
voltooid deelwoord
geheißen
Voorbeelden
Das Buch heißt " Deutsch lernen ".
Het boek heet "Duits Leren".
02
betekenen, willen zeggen
Eine Bedeutung oder eine bestimmte Aussage haben
Voorbeelden
Das kann verschiedene Dinge heißen.
Dat kan verschillende dingen betekenen.



























