Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
hasten
[past form: hastete]
01
haasten, zich spoeden
Sich sehr schnell und oft hektisch bewegen, um etwas rechtzeitig zu erreichen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
haste
3e persoon enkelvoud
hastet
onvoltooid deelwoord
hastend
onvoltooid verleden tijd
hastete
voltooid deelwoord
gehastet
Voorbeelden
Die Ärzte hasteten ins Krankenhaus, als der Notruf kam.
De artsen haastten zich naar het ziekenhuis toen de noodoproep binnenkwam.



























