Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
hassen
[past form: hasste]
01
haten, verafschuwen
Jemanden oder etwas sehr nicht mögen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
hasse
3e persoon enkelvoud
hasst
onvoltooid deelwoord
hassend
onvoltooid verleden tijd
hasste
voltooid deelwoord
gehasst
Voorbeelden
Sie hasst es, im Stau zu stehen.
Ze haat het om vast te zitten in het verkeer.



























