haben
Pronunciation
/ˈhaːbən/

Definitie en betekenis van "haben"in het Duits

haben
[past form: hatte]
01

hebben, bezitten

Besitz, Eigentum oder eine Eigenschaft ausdrücken
haben definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
habe
3e persoon enkelvoud
hat
onvoltooid deelwoord
habend
onvoltooid verleden tijd
hatte
voltooid deelwoord
gehabt
Voorbeelden
Er hat keine Zeit.
Hij heeft geen tijd.
02

hebben, bezitten

Hilfsverb zur Bildung der Perfekt-, Plusquamperfekt- und Futur-II-Formen
Voorbeelden
Wir hatten schon angerufen.
We hadden al gebeld.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store