grenzen
Pronunciation
/ˈɡʀɛnʦn̩/

Definitie en betekenis van "grenzen"in het Duits

grenzen
01

grenzen aan, aanpalend zijn

Eine gemeinsame Grenze mit etwas oder jemandem haben
grenzen definition and meaning
grammaticale informatie
toestandswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
grenze
3e persoon enkelvoud
grenzt
onvoltooid deelwoord
grenzend
onvoltooid verleden tijd
grenzte
voltooid deelwoord
gegrenzt
Voorbeelden
Die Provinz grenzt im Osten an das Meer.
De provincie grenst in het oosten aan de zee.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store