grenzen
grenzen
gʁɛnt͡sn
grentsn
grunzen

Definitie en betekenis van "grenzen"in het Duits

grenzen
01

grenzen aan, aanpalend zijn

Eine gemeinsame Grenze mit etwas oder jemandem haben 
grenzen definition and meaning
grammaticale informatie
toestandswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
grenze
3e persoon enkelvoud
grenzt
onvoltooid deelwoord
grenzend
onvoltooid verleden tijd
grenzte
voltooid deelwoord
gegrenzt
Voorbeelden
Deutschland grenzt an neun Nachbarländer. 

Duitsland grenst aan negen buurlanden.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store