Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
greifen
[past form: griff]
01
grijpen, pakken
Mit der Hand etwas ergreifen oder berühren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
greife
3e persoon enkelvoud
greift
onvoltooid deelwoord
greifend
onvoltooid verleden tijd
griff
voltooid deelwoord
gegriffen
Voorbeelden
Sie griff nach der Wasserflasche.
Ze greep naar de waterfles.



























