Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
fÀlschen
01
vervalsen, namaken
Etwas unecht machen, um zu tÀuschen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
fÀlsche
3e persoon enkelvoud
fÀlscht
onvoltooid deelwoord
fÀlschend
onvoltooid verleden tijd
fÀlschte
voltooid deelwoord
gefÀlscht
Voorbeelden
Die Polizei fand das gefÀlschte Geld.
De politie vond het vervalste geld.



























