Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
erschrecken
01
bang maken, schrik aanjagen
Jemanden plötzlich ängstigen oder erschüttern
Transitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onregelmatig
onscheidbaar
partikel
er
basiswerkwoord
schrecken
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
erschrecke
3e persoon enkelvoud
erschreckt
onvoltooid deelwoord
erschreckend
onvoltooid verleden tijd
erschreckte
voltooid deelwoord
erschreckt
Voorbeelden
Warum erschreckst du mich so oft?
Waarom schrik je me zo vaak?
02
schrikken, bang worden
Plötzliche Angst oder Schreck durch etwas Unerwartetes zu empfinden
Intransitive
Voorbeelden
Hast du dich erschrocken?
Ben je geschrokken ?



























