Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
erholen
01
herstellen, bijkomen
Wieder gesund werden
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
er
basiswerkwoord
holen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
erhole
3e persoon enkelvoud
erholt
onvoltooid deelwoord
erholend
onvoltooid verleden tijd
erholte
voltooid deelwoord
erholt
Voorbeelden
Nach der Operation muss sie sich noch eine Woche erholen.
Na de operatie moet ze nog een week herstellen.
02
uitrusten
Sich ausruhen und neue Kraft sammeln
Voorbeelden
Am Wochenende erhole ich mich immer vom stressigen Alltag.
In het weekend rust ik altijd uit van de stressvolle routine.



























