Zoeken
erholen
01
herstellen, bijkomen
Wieder gesund werden
Voorbeelden
Er hat sich schnell von der Grippe erholt.
Hij is snel hersteld van de griep.
02
uitrusten
Sich ausruhen und neue Kraft sammeln
Voorbeelden
Sie erholte sich im Urlaub am Meer.
Ze herstelde tijdens haar vakantie aan zee.


























