Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
einprägen
01
duidelijk uitleggen, overbrengen
Jemandem etwas klar und deutlich erklären oder vermitteln, damit es verstanden wird
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
ein
basiswerkwoord
prägen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
präge ein
3e persoon enkelvoud
prägt ein
onvoltooid deelwoord
einprägend
onvoltooid verleden tijd
prägte ein
voltooid deelwoord
eingeprägt
Voorbeelden
Die Mutter prägte dem Kind ein, nie mit Fremden mitzugehen.
De moeder prentte het kind in nooit met vreemden mee te gaan.
02
griffen, afdrukken
Sich tief ins Gedächtnis eingraben
Voorbeelden
Seine letzten Worte prägten sich tief in mein Gedächtnis ein.
Zijn laatste woorden prenten zich diep in mijn geheugen.
03
memoriseren, in het geheugen prenten
Etwas bewusst lernen und im Gedächtnis behalten
Voorbeelden
Sie prägte sich alle Hauptstädte Europas für die Prüfung ein.
Ze leerde alle hoofdsteden van Europa voor het examen.
Lexicale Boom
einprägen
ein
prägen



























