Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
einladen
01
uitnodigen, nodigen
Jemandem sagen, dass er zu etwas kommen soll
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
ein
basiswerkwoord
laden
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lade ein
3e persoon enkelvoud
lädt ein
onvoltooid deelwoord
einladend
onvoltooid verleden tijd
lud ein
voltooid deelwoord
eingeladen
Voorbeelden
Wir laden unsere Nachbarn zum Essen ein.
We nodigen onze buren uit voor het avondeten.
Lexicale Boom
einladen
ein
laden



























