Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
duzen
01
jij-en zeggen, tutoyeren
Jemanden mit "du" ansprechen, also in informeller Form reden
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
duze
3e persoon enkelvoud
duzt
onvoltooid deelwoord
duzend
onvoltooid verleden tijd
duzt
voltooid deelwoord
geduzt
Voorbeelden
Er duzt alle seine Studenten.
Hij spreekt al zijn studenten met "je" aan.



























