Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
donnern
01
donderen, rommelen
Ein lautes, tiefes Geräusch machen, das bei Gewitter entsteht
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
donnere
3e persoon enkelvoud
donnert
onvoltooid deelwoord
donnernd
onvoltooid verleden tijd
donnerte
voltooid deelwoord
gedonnert
Voorbeelden
Es hat die ganze Nacht gedonnert.
Het heeft de hele nacht gedonderd.
02
donderen, rommelen
Ein lautes, tiefes Geräusch verursachen
Voorbeelden
Der Zug donnerte durch den Tunnel.
De trein donderde door de tunnel.



























