Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
bewähren
01
zich bewijzen, zich waarmaken
Sich in einer schwierigen Situation oder über Zeit als zuverlässig, stark oder erfolgreich erweisen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
be
basiswerkwoord
währen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
bewähre
3e persoon enkelvoud
bewährt
onvoltooid deelwoord
bewährend
onvoltooid verleden tijd
bewährte
voltooid deelwoord
bewährt
Voorbeelden
Die neue Mitarbeiterin hat sich in der Probezeit bewährt.
De nieuwe medewerkster heeft zich bewezen tijdens de proeftijd.



























