Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
bestehen
01
bestaan uit, samengesteld zijn uit
Aus etwas zusammengesetzt sein
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
be
basiswerkwoord
stehen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
bestehe
3e persoon enkelvoud
besteht
onvoltooid deelwoord
bestehend
onvoltooid verleden tijd
bestand
voltooid deelwoord
bestanden
Voorbeelden
Unsere Mannschaft besteht aus zehn Spielern.
Ons team bestaat uit tien spelers.
02
slagen, halen
Eine Prüfung erfolgreich bestehen
Voorbeelden
Sie hat mit Auszeichnung bestanden.
Ze is geslaagd met onderscheiding.
03
bestaan, zijn
Da sein
Voorbeelden
Die Gefahr besteht weiterhin.
Het gevaar bestaat nog steeds.
04
bestaan uit, bestaan in
In etwas enthalten sein, etwas umfassen
Voorbeelden
Die Aufgabe besteht darin, Fehler zu finden.
De taak bestaat uit het vinden van fouten.



























