besetzen
Pronunciation
/bəˈzɛtsən/

Definitie en betekenis van "besetzen"in het Duits

besetzen
01

bezetten, innemen

Ein Ort oder Gebiet gewaltsam oder gegen Widerstand einnehmen und kontrollieren
besetzen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
be
basiswerkwoord
setzen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
besetze
3e persoon enkelvoud
besetzt
onvoltooid deelwoord
besetzend
onvoltooid verleden tijd
besetzte
voltooid deelwoord
besetzt
Voorbeelden
Der Feind hat unsere Grenzposten besetzt.
De vijand heeft onze grensposten bezet.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store