beißen
beißen
baɪ̯sɐn
baisn
beizen

Definitie en betekenis van "beißen"in het Duits

beißen
01

bijten, bijten

Mit den Zähnen festhalten, verletzen oder schneiden 
beißen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
beiße
3e persoon enkelvoud
beißt
onvoltooid deelwoord
beißend
onvoltooid verleden tijd
biss
voltooid deelwoord
gebissen
Voorbeelden
Der Hund biss den Einbrecher ins Bein. 

De hond beet de inbreker in het been.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store