Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
baden
01
baden, zich wassen
Sich in einer Badewanne waschen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
bade
3e persoon enkelvoud
badet
onvoltooid deelwoord
badend
onvoltooid verleden tijd
badete
voltooid deelwoord
gebadet
Voorbeelden
Sie badet jeden Abend.
Zij baadt elke avond.
02
zwemmen, baden
Im Wasser schwimmen oder spielen
Voorbeelden
Sie baden im Meer.
Zij zwemmen in de zee.



























