ausüben
ausüben
aʊ̯sy:bɐn
awsybn

Definitie en betekenis van "ausüben"in het Duits

ausüben
01

uitoefenen, beoefenen

Eine Tätigkeit, einen Beruf oder einen Einfluss aktiv praktizieren oder anwenden 
ausüben definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
üben
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
übe aus
3e persoon enkelvoud
übt aus
onvoltooid deelwoord
ausübend
onvoltooid verleden tijd
übte aus
voltooid deelwoord
ausgeübt
Voorbeelden
Sie übt den Beruf der Ärztin seit 10 Jahren aus. 

Zij uitoefent het beroep van arts sinds 10 jaar.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store