ausziehen
Pronunciation
/ˈaʊ̯stsiːən/

Definitie en betekenis van "ausziehen"in het Duits

ausziehen
01

uitdoen, uitkleden

Kleidung vom Körper entfernen
ausziehen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
ziehen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
ziehe aus
3e persoon enkelvoud
zieht aus
onvoltooid deelwoord
ausziehend
onvoltooid verleden tijd
zog aus
voltooid deelwoord
ausgezogen
Voorbeelden
Ziehst du den Mantel aus?
Trek je de jas uit ?
02

verhuizen, uit een woning trekken

Wohnort wechseln
ausziehen definition and meaning
Voorbeelden
Wann ziehst du bei deinen Eltern aus?
Wanneer ga je uit huis bij je ouders?
03

uittrekken, eruit halen

Etwas entfernen
ausziehen definition and meaning
Voorbeelden
Der Zahnarzt zieht einen Zahn aus.
De tandarts trekt een tand.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store