ausziehen
ausziehen
aʊ̯stsi:ən
awstsiēn
aufziehenausgehenaussehen

Definitie en betekenis van "ausziehen"in het Duits

ausziehen
01

uitdoen, uitkleden

Kleidung vom Körper entfernen 
ausziehen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
ziehen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
ziehe aus
3e persoon enkelvoud
zieht aus
onvoltooid deelwoord
ausziehend
onvoltooid verleden tijd
zog aus
voltooid deelwoord
ausgezogen
Voorbeelden
Ich ziehe meine Jacke aus. 

Ik trek mijn jas uit.

02

verhuizen, uit een woning trekken

Wohnort wechseln 
ausziehen definition and meaning
Voorbeelden
Wir ziehen nächsten Monat aus. 

We verhuizen volgende maand.

03

uittrekken, eruit halen

Etwas entfernen 
ausziehen definition and meaning
Voorbeelden
Sie zieht das Unkraut aus. 

Ze trekt het onkruid uit door het te trekken.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store