Zoeken
ausziehen
01
uitdoen, uitkleden
Kleidung vom Körper entfernen
Voorbeelden
Ziehst du den Mantel aus?
Trek je de jas uit ?
02
verhuizen, uit een woning trekken
Wohnort wechseln
Voorbeelden
Wann ziehst du bei deinen Eltern aus?
Wanneer ga je uit huis bij je ouders?
03
uittrekken, eruit halen
Etwas entfernen
Voorbeelden
Der Zahnarzt zieht einen Zahn aus.
De tandarts trekt een tand.


























