aussprechen
Pronunciation
/ˈaʊ̯sˌʃpʀɛçn̩/

Definitie en betekenis van "aussprechen"in het Duits

aussprechen
01

uitspreken, articuleren

Einen Laut oder ein Wort richtig sagen
aussprechen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
sprechen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
spreche aus
3e persoon enkelvoud
spricht aus
onvoltooid deelwoord
aussprechend
onvoltooid verleden tijd
sprach aus
voltooid deelwoord
ausgesprochen
Voorbeelden
Er spricht seinen Namen langsam aus.
Hij spreekt zijn naam langzaam uit.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store