ausspannen
aus
aʊs
aws
spa
ʃpa
shpa
nnen
nən
nēn

Definitie en betekenis van "ausspannen"in het Duits

ausspannen
01

ontspannen

Sich erholen und entspannen, besonders nach Arbeit oder Stress 
ausspannen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
spannen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
spanne aus
3e persoon enkelvoud
spannt aus
onvoltooid deelwoord
ausspannend
onvoltooid verleden tijd
spannte aus
voltooid deelwoord
ausgespannt
Voorbeelden
Nach der Arbeit will ich zu Hause ausspannen. 

Na het werk wil ik thuis ontspannen.

02

spannen, uitrekken

etwas durch Ziehen straff machen oder fest spannen 
Voorbeelden
Er spannte das Seil richtig aus. 

Hij spande het touw correct.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store