Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ausspannen
01
ontspannen
Sich erholen und entspannen, besonders nach Arbeit oder Stress
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
spannen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
spanne aus
3e persoon enkelvoud
spannt aus
onvoltooid deelwoord
ausspannend
onvoltooid verleden tijd
spannte aus
voltooid deelwoord
ausgespannt
Voorbeelden
Nach der Arbeit will ich zu Hause ausspannen.
Na het werk wil ik thuis ontspannen.
02
spannen, uitrekken
etwas durch Ziehen straff machen oder fest spannen
Voorbeelden
Er spannte das Seil richtig aus.
Hij spande het touw correct.



























