Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ausrüsten
[past form: rüstete aus]
01
uitrusten, toerusten
Jemanden oder etwas mit den notwendigen Geräten, Werkzeugen oder Ausstattungen versehen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
rüsten
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
rüste aus
3e persoon enkelvoud
rüstet aus
onvoltooid deelwoord
ausrüstend
onvoltooid verleden tijd
rüstete aus
voltooid deelwoord
ausgerüstet
Voorbeelden
Sie rüsteten sich für die Expedition aus.
Ze rustten zich uit voor de expeditie.



























