Zoeken
ausgehen
01
uitgaan, stappen
um sich zu amüsieren oder auszugehen
Voorbeelden
Am Sonntag gehen viele Leute aus.
Op zondag gaan veel mensen uit.
02
opraken, uitputten
Keine Reserven mehr haben
Voorbeelden
Die Zeit ging schnell aus.
De tijd raakte snel op.
03
uitgaan, ophouden met branden
Aufhören zu brennen oder zu leuchten
Voorbeelden
Das Feuer ging wegen des Regens aus.
Het vuur ging uit vanwege de regen.


























