Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ausgehen
01
uitgaan, stappen
um sich zu amüsieren oder auszugehen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
gehen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
gehe aus
3e persoon enkelvoud
geht aus
onvoltooid deelwoord
ausgehend
onvoltooid verleden tijd
ging aus
voltooid deelwoord
ausgegangen
Voorbeelden
Am Sonntag gehen viele Leute aus.
Op zondag gaan veel mensen uit.
02
opraken, uitputten
Keine Reserven mehr haben
Voorbeelden
Die Zeit ging schnell aus.
De tijd raakte snel op.
03
uitgaan, ophouden met branden
Aufhören zu brennen oder zu leuchten
Voorbeelden
Das Feuer ging wegen des Regens aus.
Het vuur ging uit vanwege de regen.



























