ausgehen
ausgehen
aʊ̯sge:ən
awsgeēn
aufgehenausruhenaufsehenausziehen

Definitie en betekenis van "ausgehen"in het Duits

ausgehen
01

uitgaan, stappen

um sich zu amüsieren oder auszugehen 
ausgehen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
gehen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
gehe aus
3e persoon enkelvoud
geht aus
onvoltooid deelwoord
ausgehend
onvoltooid verleden tijd
ging aus
voltooid deelwoord
ausgegangen
Voorbeelden
Wir gehen heute Abend aus. 

Wij gaan uit vanavond.

02

opraken, uitputten

Keine Reserven mehr haben 
ausgehen definition and meaning
Voorbeelden
Das Benzin ist ausgegangen. 

De benzine is op.

03

uitgaan, ophouden met branden

Aufhören zu brennen oder zu leuchten 
ausgehen definition and meaning
Voorbeelden
Die Kerze ist ausgegangen. 

De kaars is uitgegaan.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store