aufpassen
Pronunciation
/ˈaʊ̯fˌpasn̩/

Definitie en betekenis van "aufpassen"in het Duits

aufpassen
01

oppassen, bewaken

Sich um jemanden oder etwas kümmern, damit nichts passiert
aufpassen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
auf
basiswerkwoord
passen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
passe auf
3e persoon enkelvoud
passt auf
onvoltooid deelwoord
aufpassend
onvoltooid verleden tijd
passte auf
voltooid deelwoord
aufgepasst
Voorbeelden
Die Lehrerin passt auf die Schüler auf.
Toezien helpt bij het verzorgen van de leerlingen.
02

opletten, aandachtig zijn

Aufmerksam sein und gut zuhören oder hinschauen
aufpassen definition and meaning
Voorbeelden
Kinder, passt jetzt gut auf!
Kinderen, let op nu !
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store