Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
anstecken
01
besmetten, infecteren
Jemanden mit einer Krankheit infizieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
stecken
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
stecke an
3e persoon enkelvoud
steckt an
onvoltooid deelwoord
ansteckend
onvoltooid verleden tijd
steckte an
voltooid deelwoord
angesteckt
Voorbeelden
Er hat mich mit Grippe angesteckt.
Hij heeft me met griep besmet.
02
besmet raken
Sich mit einer Krankheit infizieren
Voorbeelden
Ich habe mich bei meinem Kollegen angesteckt.
Ik ben besmet geraakt door mijn collega.



























