anstecken
ans
ˈanʃ
ansh
te
te
cken
kən
kēn
anstellenansteigenanstehenanspucken

Definitie en betekenis van "anstecken"in het Duits

anstecken
01

besmetten, infecteren

Jemanden mit einer Krankheit infizieren 
anstecken definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
stecken
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
stecke an
3e persoon enkelvoud
steckt an
onvoltooid deelwoord
ansteckend
onvoltooid verleden tijd
steckte an
voltooid deelwoord
angesteckt
Voorbeelden
Er hat mich mit Grippe angesteckt. 

Hij heeft me met griep besmet.

02

besmet raken

Sich mit einer Krankheit infizieren 
anstecken definition and meaning
Voorbeelden
Ich habe mich bei meinem Kollegen angesteckt. 

Ik ben besmet geraakt door mijn collega.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store