Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ansprechen
01
aanspreken, toespreken
Mit jemandem ein Gespräch beginnen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
sprechen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
spreche an
3e persoon enkelvoud
spricht an
onvoltooid deelwoord
ansprechend
onvoltooid verleden tijd
sprach an
voltooid deelwoord
angesprochen
Voorbeelden
Er spricht die Lehrerin an.
Hij spreekt de lerares aan.
02
bevallen, interesseren
Jemandem gefallen oder Interesse wecken
Voorbeelden
Dieses Buch spricht mich sehr an.
Dit boek spreekt me erg aan.



























