ansprechen
Pronunciation
/ˈanʃpʀɛçən/

Definitie en betekenis van "ansprechen"in het Duits

ansprechen
01

aanspreken, toespreken

Mit jemandem ein Gespräch beginnen
ansprechen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
sprechen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
spreche an
3e persoon enkelvoud
spricht an
onvoltooid deelwoord
ansprechend
onvoltooid verleden tijd
sprach an
voltooid deelwoord
angesprochen
Voorbeelden
Sie spricht ihn im Flur an.
Ze spreekt hem aan in de gang.
02

bevallen, interesseren

Jemandem gefallen oder Interesse wecken
ansprechen definition and meaning
Voorbeelden
Das Design spricht junge Leute an.
Het ontwerp spreekt jonge mensen aan.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store