Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
angreifen
01
aanvallen, bestormen
Feindselige Handlungen gegen jemanden oder etwas richten
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
greifen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
greife an
3e persoon enkelvoud
greift an
onvoltooid deelwoord
angreifend
onvoltooid verleden tijd
griff an
voltooid deelwoord
angegriffen
Voorbeelden
Partisanen griffen den Konvoi nachts an.
De partizanen vielen 's nachts de konvooi aan.
02
aanraken, betasten
Etwas mit den Händen berühren
Voorbeelden
Greif die heiße Pfanne nicht an!
Val de hete pan niet aan!



























