Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
om, op
Zeigt einen Zeitpunkt oder Zeitraum an
grammaticale informatie
Voorbeelden
Ich arbeite am Montag.
Ik werk op maandag.
02
op, aan
Gibt einen festen Ort nahe einer Fläche oder Grenze an
Voorbeelden
Ich bin an der Universität.
Ik ben op de universiteit.
03
naar, op
Drückt eine Richtung oder Kontaktfläche aus
Voorbeelden
Hänge das Bild an die Wand.
Hang de afbeelding aan de muur.
04
naast, bij
In direkter Nähe zu etwas
Voorbeelden
Das Hotel liegt an der Straße.
Het hotel ligt aan de weg.
05
aan
Zeigt Beteiligung oder Bezug zu etwas
Voorbeelden
Er arbeitet an einem Projekt.
Hij werkt aan een project.
06
met, door middel van
Zeigt ein Mittel oder Werkzeug an
Voorbeelden
Ich erkenne dich an der Stimme.
Ik herken je aan je stem.
an
01
bij aankomst, op het tijdstip van aankomst
Zeigt den Zeitpunkt der Ankunft eines Verkehrsmittels an
grammaticale informatie
niet vergelijkbaar
Voorbeelden
Der Zug Berlin an: 12:45.
De trein komt aan in Berlijn om 12:45.



























