abwaschen
ab
ˈap
ap
wasch
ˌvaʃ
vash
en
ən
ēn
abduschenabwischenabweichenabwatschen

Definitie en betekenis van "abwaschen"in het Duits

abwaschen
01

afwassen, schoonmaken

Etwas mit Wasser und Reinigungsmittel säubern 
abwaschen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
ab
basiswerkwoord
waschen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
wasche ab
3e persoon enkelvoud
wäscht ab
onvoltooid deelwoord
abwaschend
onvoltooid verleden tijd
wusch ab
voltooid deelwoord
abgewaschen
Voorbeelden
Ich wasche das schmutzige Geschirr ab. 

Ik was het vuile servies af.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store