abholen
ab
ˈap
ap
ho
ˌho:
ho
len
lən
lēn

Definitie en betekenis van "abholen"in het Duits

abholen
01

ophalen, gaan halen

Zu einem Ort gehen oder fahren, um eine Person mitzunehmen 
abholen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
ab
basiswerkwoord
holen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
hole ab
3e persoon enkelvoud
holt ab
onvoltooid deelwoord
abholend
onvoltooid verleden tijd
holte ab
voltooid deelwoord
abgeholt
Voorbeelden
Ich hole meine Schwester vom Bahnhof ab. 

Ik haal mijn zus op van het station.

02

ophalen, afhalen

Etwas an einem bestimmten Ort holen 
abholen definition and meaning
Voorbeelden
Ich muss mein Paket bei der Post abholen. 

Ik moet mijn pakketje ophalen bij het postkantoor.

03

arresteren, aanhouden

Jemanden festnehmen 
abholen definition and meaning
informeel
Voorbeelden
Sie wurden gestern Abend abgeholt. 

Ze zijn gisteravond gearresteerd.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store