Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
abbrechen
01
annuleren, onderbreken
Etwas vorzeitig beenden oder nicht zu Ende führen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
ab
basiswerkwoord
brechen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
breche ab
3e persoon enkelvoud
bricht ab
onvoltooid deelwoord
abbrechend
onvoltooid verleden tijd
brach ab
voltooid deelwoord
abgebrochen
Voorbeelden
Die Airline brach den Flug wegen Nebels ab.
De luchtvaartmaatschappij heeft de vlucht vanwege mist geannuleerd.
02
sloppen, afbreken
Etwas physisch entfernen oder zerstören, oft durch Brechen
Voorbeelden
Die Bagger brechen das alte Gebäude ab.
De graafmachines breken het oude gebouw af.



























