Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
L'époux
01
echtgenoot, echtgenoot
personne mariée ; époux pour un homme, épouse pour une femme
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
époux
Voorbeelden
Son époux travaille dans une école.
Haar echtgenoot werkt op een school.



























