Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
L'époux
[gender: masculine]
01
echtgenoot, echtgenoot
personne mariée ; époux pour un homme, épouse pour une femme
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
époux
Voorbeelden
L' époux de la directrice a assisté à la réunion.
De echtgenoot van de directrice woonde de vergadering bij.



























