visser
01
vastschroeven, met schroeven bevestigen
fixer ou assembler à l'aide de vis
Voorbeelden
Vissez le couvercle pour bien le fermer.
Schroef het deksel vast om het goed te sluiten.
02
stevig op zijn plaats blijven, onbeweeglijk blijven
rester fermement en place sans bouger
Voorbeelden
L' enfant s' est vissé à sa mère dans la foule.
Het kind schroefde zich vast aan zijn moeder in de menigte.
03
vastdraaien, dichtdraaien
serrer ou fermer en tournant (comme un mouvement de vis)
Voorbeelden
Elle visse les robinets pour éviter les fuites.
Ze draait de kranen dicht om lekkages te voorkomen.



























