Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
visser
01
vastschroeven, met schroeven bevestigen
fixer ou assembler à l'aide de vis
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
visse
1e persoon meervoud
vissons
1e persoon toekomende tijd
visserai
onvoltooid deelwoord
vissant
voltooid deelwoord
vissé
1e persoon meervoud imperfectum
vissions
Voorbeelden
Vissez le couvercle pour bien le fermer.
Schroef het deksel vast om het goed te sluiten.
02
stevig op zijn plaats blijven, onbeweeglijk blijven
rester fermement en place sans bouger
Voorbeelden
L' enfant s' est vissé à sa mère dans la foule.
Het kind schroefde zich vast aan zijn moeder in de menigte.
03
vastdraaien, dichtdraaien
serrer ou fermer en tournant (comme un mouvement de vis)
Voorbeelden
Elle visse les robinets pour éviter les fuites.
Ze draait de kranen dicht om lekkages te voorkomen.



























