Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Les vacances
01
vakantie, vrije dagen
période sans travail ou sans école, souvent pour se reposer ou voyager
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
vrouwelijk
Voorbeelden
Nous partons en vacances demain.
We vertrekken morgen op vakantie.
02
verlof, vakantie
période autorisée d'absence au travail, souvent pour se reposer
Voorbeelden
Il a pris des vacances pour se reposer.
Hij nam vakantie om uit te rusten.



























